Zwartspaarders weer in het vizier van de fiscus vanwege uitspraak Zwitsers Bundesgericht

Op 12 september 2016 deed het Zwitserse Bundesgericht (de Zwitserse hogere rechter) een uitspraak die voor Nederlandse – nog niet ingekeerde – zwartspaarders grote gevolgen kan hebben. Onderwerp van deze uitspraak was een verzoek dat de Nederlandse fiscus had gedaan aan de Zwitserse belastingdienst  om informatie te verstrekken over alle personen, in Nederland woonachtig,  (1) die in 2013 en 2014 een bankrekening bij UBS hadden en (2) die niet hadden voldaan aan het verzoek dat UBS in 2014 aan haar rekeninghouders had gedaan om te bewijzen dat met betrekking tot zijn of haar UBS bankrekening(en) aan de vereiste fiscale verplichtingen was voldaan. Aanleiding voor dit verzoek was dat de Nederlandse belastingdienst bij een dossier van een Nederlandse zwartspaarder een brief had gevonden waarin UBS deze persoon had verzocht om aan te tonen dat hij aan zijn fiscale verplichtingen had voldaan. Zou dit niet aangetoond kunnen worden, dan zou zijn rekening bij UBS worden gesloten.

In het inlichtingenverzoek van de Nederlandse aan de Zwitserse fiscus werden dus niet de gegevens opgevraagd van één of meer specifiek aangeduide personen maar werd juist gevraagd om de gegevens van een groep personen te verstrekken. Het Budesverwaltungsgericht (de lagere Zwitserse rechter) oordeelde in eerste instantie dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland een dergelijk anoniem inlichtingenverzoek niet toestond en dat alleen inlichtingen mochten worden verstrekt indien het verzoek de naam van de persoon bevatte over wie de inlichtingen werden opgevraagd. Het Bundesgericht oordeelde echter anders en gaf aan dat de namen wel aan de Nederlandse fiscus kunnen worden overlegd. Na dit positieve resultaat voor de Nederlandse fiscus, is het dus niet uit te sluiten dat naar aanleiding van deze uitspraken meer van dit soort verzoeken zullen worden gedaan bij de Zwitserse fiscus.

Dit kan verstrekkende gevolgen hebben voor Nederlandse zwartspaarders die niet hebben ingekeerd. Met een dergelijke lijst met namen kan de Nederlandse fiscus immers bij deze personen een gericht onderzoek gaan doen naar hun buitenlandse bankrekeningen. Indien de fiscus deze verzwegen bankrekeningen op het spoor komt, kan zij alsnog een belastingaanslag opleggen voor het bedrag van de ten onrechte te weinig geheven belasting. In geval van buitenlandse bankrekeningen kan de belastingdienst binnen 12 jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan navorderen. Om dit met een voorbeeld te verduidelijken: tot en met 31 december 2016 kan de belastingdienst navorderen over de belastingjaren 2004 en volgende nu de belastingschuld over het kalenderjaar 2004 ontstaat op 31 december 2004.

De navordering geldt niet alleen voor de verzwegen Zwitserse rekeningen maar ook voor de buitenlandse rekeningen waarnaar de Zwitserse saldi zijn verplaatst nadat de Zwitserse bank te kennen had gegeven de rekening te gaan sluiten wegens het niet voldoen aan de fiscale verplichtingen. De belastingdienst kan namelijk op grond van een redelijk vermoeden het standpunt innemen dat deze Zwitserse gelden naar een belastingparadijs zijn verhuisd en op die basis Nederlandse belastingaanslagen opleggen.  Het is dan aan de belastingplichtige om te bewijzen dat dit anders ligt.

Het opleggen van belastingaanslagen over verzwegen bankrekeningen gaat doorgaans gepaard met een forse boete wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangifte. Indien de ten onrechte te weinig geheven belasting box 3 inkomsten betreft kan de boete wel 300% bedragen. Indien dit maximum wordt toegepast betekent dit dat de inspecteur een aanslag kan opleggen die in feite 4x het ten onrechte geheven belastingbedrag kan bedragen: 1x het belastingbedrag en 3x het boetebedrag.

Een dergelijke boete kan worden voorkomen indien de belastingplichtige binnen twee jaar na het doen van de onjuiste aangifte, alsnog een juiste aangifte doet. In geval de belastingplichtige na deze twee jaar alsnog de een juiste aangifte doet, kan de boete worden gematigd tot 40 procent van het wettelijk maximum. In het geval van een boete voor het niet aangeven van box 3 inkomen kan de (maximale) boete van 300 procent worden verminderd naar 120  procent.

Voorwaarde voor het achterwege laten van de boete (inkeer binnen 2 jaar) en het verminderen van de boete (inkeer na 2 jaar) is dat de inkeer vrijwillig, dwz uit eigen beweging, plaatsvindt. Dit betekent dat de inkeer dient plaats te vinden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid van de gedane aangifte bekend is of bekend zal worden. Voor zwartspaarders met een UBS bankrekening zou het wellicht al te laat kunnen zijn.

De Nederlandse zwartspaarder die niet heeft ingekeerd en het saldo van zijn Zwitserse rekening naar andere oorden heeft verplaatst, doet er derhalve goed aan om zijn situatie nog eens te heroverwegen. Niet alleen loopt hij het risico op navordering van ten onrechte niet aangegeven belasting over box 3 vermogen op zijn (voormalige) Zwitserse rekeningen, maar ook op navordering van ten onrechte niet aangegeven belasting over box 3 vermogen op zijn “nieuwe” buitenlandse bankrekeningen. Dit alles gepaard gaande met omvangrijke boetes. Met vrijwillige inkeer kan in ieder geval  de boete worden vermeden of gematigd.

Deel dit artikel op social media!
This entry was posted in Actualiteiten and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *